Bij de opening van het Peter de Grote Festival ligt de nadruk niet op Russische muziek, maar op Debussy.
Debussy was rond 1900 niet te missen in Frankrijk. Na decennia van achter de Duitsers aan hobbelen met behoudende opera's en niet al te wilde concertmuziek hadden de Fransen nu weer een grote vernieuwer in hun midden. Debussy begon als fan van Wagner en de Russen (toch...) maar wist zich met een volkomen eigen muziektaal aan die invloed te ontworstelen. De stijl kreeg, niet geheel naar Debussy's zin, de naam 'impressionisme'.
Toen Debussy in 1918 overleed, was hij een monument. Misschien was hij ook zelf wel een instituut waarmee gespot moest worden. Na de Eerste Wereldoorlog was hij voor veel componisten passé: te pretentieus, te hoogdravend, te veel bezig met een kunstideaal en te weinig met 'gewoon muziek maken'. Niettemin werd hij door de jonge generatie alom bewonderd.
In dit programma staat een serie werken centraal met de titel of het thema 'Le tombeau de Debussy'. In de Franse barok werden overleden musici soms geëerd met een 'tombeau', een compositie waarin een musicus het werk van zijn collega met stijlcitaten of andere toespelingen eerde. Maurice Ravel had kort voor Debussy's dood een hit met 'Le tombeau de Couperin', waarin hij deze traditie nieuw leven inblies. Dat inspireerde componisten als Albert Roussel en Paul 'Tovenaarsleerling' Dukas weer tot hun eigen eerbetonen. We kunnen ze nu vergelijken.
Almudena Cano (piano)
Carolyn Stuart (viool), Svetozar Ivanov (piano)
Ilona Sie Dhian Ho, Liesbeth Ackermans (viool), Zvi Carmeli (altviool)
Nata Tsvereli (piano)
Paul Komen (piano)
Svetovar Ivanov (piano)
Viktor Tsjoetsjkov (piano)
Tamara Poddoebnaja (piano)
Almudena Cano (piano)
Zapolski Kwartet: Alexander Zapolski, Jacob Soelberg (viool), Gregori Chodos (altviool), Troels Svane (cello)
Zapolski Kwartet: Alexander Zapolski, Jacob Soelberg (viool), Gregori Chodos (altviool), Troels Svane (cello)